Journals

Second Journey (MS 107/1/1-2)

11th November 1777


transcription

[11th November 1777]
den 11

het heeft den ganschen nagt fors uit den n:w: gewaayt met regenbuien en enige donder en weerligt
dese morgen scheen het weer bedaard, dog de bergen niet heel klaar om te tekenen, tegen agt uur stak het weer met sterke w:n:w: wind, weder op met enige regen. sware regenbuien tot den middag, wanneer het weer opklaarde
vertrok na een heuvel een half uur o:n:o: van brakfontein van waar het gehelen horisont afpeilde, en liet tekenen. willem basson, die aan brakke fontein woond hiete dese heuvel gordons kop. hy is omtrent hondert voeten hoog en ligt in een uitgestrekte vlakte, de kransen op de apart leggende berg, waarlangs en ook agter het district Ćamdebo of groengat, geleken veel na de reuse weg in ierland, (egter geen basalte of in t'minst volcaniec is.) namentlyk seer reguliere horisontale blokken perpendiculair gespleten als lange vierkante pilaren, alles enkele vuurrots. hiete dese berg het reuse casteel. onse cours was drie uuren noord oost door een caro velt, deselve grond, twe uren van brakfontein passeerden wy camdeboos rivier die heel droog was, en omtrent dertig pas breete had, een half uur verder begon het veld van gedaante te veranderen, de grond was minder klippig de rosse kley met enige vegetale aarde vermengt, en vol zoet lang gras, vele doornbomen, en bloemen, misembriantemums meest, waarna wy n n oost dese berg aan een half uur omreed, heel na de laagte gaande, de swarte rivier ńoe` à by de plaats doorreed, zynde kniediepte frisse stroom en vol klipbanken, aan de plaats van opperman. daar een boer frederik botha vond die dese middag, na een hottentot willende slaan zyn arm tegen een smits schroef brak.

[annotated on page 49]
onse cours is van daag in het geheel noord noord oost agt uren distantie geweest, het weer klaarde omtrent tien uren s'morgens, en de zuid oost woei nademiddag weer fris op, zynde goed koel weer losse bewolkte lugt. omtrent 5 uren agtemiddag begon het iets te regenen, met een fraaye regenboog, regende sterk in het sneeu gebergte, met enige donder. zyn nog al het zelve caro terrein gepasseert, leerde een wortel eten àree genaamt hebbende een houtege schil ros foosagtig van binnen met een astringerende zurig sap. dog goed in grote dorst. kon de bladeren die verdort waren, niet zien groid laag tussen de bosjes. ook groef ik een gif bol canie genaamt, een grote fose bol met een rode blom boven op zonder bladen als een hanecam, met desen schieten zy hun wilt, dat dronken word en sterft, ook hun vyanden, dog hebben nog slangen en boomgift. de ńoe kalft in dese maand.
tekende een aard ekkhoren. in hottentots gradow

voet duim
van snuit kop tot staart 0 9
de staart 0 8
1 3

hadde een swart en gryse staart ordinair drie duim breed dog kon die met enen gewipper op en neer als hy liep, breder maaken en er sig als een eekhoren me bedekken. het is hard borstelagtig hair. kan op de bomen niet klimmen heeft vier klaawen aan de voorpoten en een seer kort duimtje dog sonder vingers (nagel), vat er iets me om te eten, dog moet het om de korte stompe duim met den andere voorpoot helpen houden. kon de staart ook als een eek horen over de rug buigen dog natuurlyk legt hy regt plat tegen de grond, agter uit., zyn oren zyn maar gaten, en niet uitstaande. agter heeft hy vyf grote vinger, en een voet met een hiel, als de duinmol. kleur rood bruin een geel witte geelagtige horisontale streep aan ieder zyde van de voor tot de agterpoot een 6de duim breed waar onder een streep die donker rosbruin is, grote swarte ogen waarom een witte smalle ring, wit om en onder de snuit. seer grote testicuuls. een gespleten boven lip twe incisiven boven en twe onder, de ondersten iets langer en iets van een. het dier word seer tam. de kop platagtig de ogen digter by de gaten van de oren als by de snuit.

[page 50]
de arm was gespalk dog vond hem in een sware koors, ordonneerde een lating daar hy niet toe wilde overgaan het begon uit het noorden en westen te donderen en weer ligten met sware regenvlagen weshalven, hier de wagen inwagte, die drie a vierhondert passen verder noord als opperman de swarte rivier door moest. zy kwam omtrent een half uur daa my en myn mantel er uit nemende reed noord aan, twe uren distantie wordende de vlakke valey met hoog gebergte omgeven als een fuik zeer naauw en kwam donker zynde omtrent agt uur aan de plaats vrede van Hannes de beer zo als men de swarte rivier, over is, hiet het districkt swarte rivier, schoon deselve camdebo valey, het is hier het fraaiste en beste land dat men zien kan vol welig gras en vol boomen meest doornbomen (mimosa), zodat byna in den donker van de weg dwaalde. zo als het reusen casteel om reed zag geene springbokken meer, dog dese gansche middag hier en daar kleine troppen die niet onder schoot kon krygen zag een trop van 12 zogenaamde wilde honden, ook niet onder schoot hadden steile ooren en allen een witte dikke lange staart, so als van verre kon zien waaren zy swart bond. van de grote van een grote europeaansche wolf, en zeker geen hond. zy loerden op de springbokken. aan de staarten en makeley zag ik dat het even zo een dier was als een vel aan de caap heb, heb meer als een uur ze zoeken te bekruipen dog zy liepen telkens weg, zynde het caro velt te kaal uitgenomen aan de Camdebos rivier daar vele doornbomen staan om iets te bekruipen.
de camdeboos rivier die in drie spruiten aan de oost zyde der bergen, tegen over brakke rivier uit die alle zogenaamde sneeuwbergen komt, dan oost aan door de camdebo, dat digt aan de voet der bergen legt, en door de caro loopt, de brakke rivier die uit de westeinde dier bergen zuid oost twe uren dan oost door de caro, of zogenaamt brakke rivier vlakte, de swarte rivier, die uit de hoogste sneeuwberg agter reusencasteel door de diepe kom, aan de ene kant camdebo en de andere swarte rivier district maakt lopen alle drie oostaan. twe uren van de poort daar men om reusen casteel rydt, zyn in een, waarby nog een rivier die noordoostelyker in de sneeuberg begint, daar sondags rivier genaamt, en hieten dan dese rivier tot in zee sondags rivier. vond op dese plaats van

[page 51]
de beer excellent koorn tamelyk hier groeiende wyn, en alles in beter order als men hier zou verwagten. hier zegt men nu de regen tyd met donder weer te beginnen komende uit het noorden, en draayende met verscheiden coursen door het gebergte. als het in juny en july aan de caap regent, komen de wolken op de sneeubergen dan waayt het hier fors doroog en sneeuwt alleen op die bergen waarop menschen wonen, dog die sneeuw blyft niet lang leggen, drie, vier, vyf ja veerttien tot een maant valt somtyds een paar mans lengte met sware koude. dog in oct nov begint nu en dan donderweer met regen dat het sterkst in jan: feb: en maart is, dog zomtyds regent het ook als de n w de wolken sterk doorperst en uit het z:o: wederkomen zo als in gepasseerde 15 mey heeft het hier en overal daar nog geweest heb en gehoord heb, 6 en 7 dagen swaar uit den n:w: geregent.
cours van daag drie uur n:o: een half uur n n o twe uur noord smorgens w n w: wind kout regen vlagen tot middag, mooy weer noorde stille wind tot 6 daarna n w en z oost wind donder en weerligt met sware regen.

translation

[11th November 1777]
The 11th

It blew strongly from the north-west all night with showers of rain and some thunder and lightning. It appeared to have calmed down again this morning, but the mountains were not distinct enough to make a drawing of them. Towards eight o'clock the weather rose again with a strong west north-west wind, once again with some rain. There were heavy showers of rain until midday when it again cleared up. Went to a hill half an hour east north-east of Brakfontein from where I took bearings on the whole horizon, and had it drawn. Willem Basson, who lives at Brakfontein, called this hill Gordon's Kop. It is about a hundred foot high and lies in an extended plain. The cliffs on the isolated mountain, beside and also behind which is the district of Camdebo or Groengat, look very like the Giant's Causeway in Ireland, although there is no basalt and not the slightest trace of volcanic material. In fact there are very uniform, horizontal slabs, split perpendicularly like long square pillars, all composed of a single firestone. Called this mountain the Reuse Casteel [Giant's Castle]. Our course was three hours north-east through a Karoo-veld; the same soil. Two hours from Brakfontein we crossed the Camdebo River which was completely dry and about thirty paces wide. Half an hour further the country began to change in appearance: the soil was less stony, the reddish-brown clay was mixed with vegetable matter and covered with long sweet grass. There were many thorn-trees and flowers, mostly mesembryanthemums. After this we rode north-north-east for half an hour, around this mountain, descending to the bottom of a hollow. Here we rode through the Swart River, Noe A, which is a knee-deep, strongly-flowing stream, full of stony slabs, and on to the farm of Opperman. There, this afternoon, I found a farmer, Frederik Botha, who in trying to strike a Hottentot had broken his arm against a black-smith's vice.

[page 49, evidently an addition, has been taken forward to the end of this entry for 11th November]


[page 50]
His arm was in splints but found him in a severe fever. Ordered a blood-letting which he would not allow.

Thunder and lightning began from the north and west with heavy gusts of rain. For this reason I waited here for the wagon which has to cross the Swart River three to four hundred paces north above Opperman's. It arrived about half an hour after me and taking my cloak from it I rode on northwards for a distance of two hours, the flat valley becoming ringed about with high mountains, narrowing like a fish trap. At about eight o'clock, in the dark, I arrived at the farm Vrede, which belongs to Hannes de Beer. Once one has crossed the Swart River the district is called Swart River, although it is part of the same Camdebo Valley. Here is the finest and best land that one could imagine, full of luxuriant grass and full of trees, mostly thorn-trees (mimosa) so that I nearly lost my way in the dark. Since riding round the Reuse Casteel I have seen no more springbok but this whole afternoon I saw small herds here and there which I could not get into shooting-range. Saw a pack of twelve so-called wild dogs which were also out of range. They had peaked ears and all of them had thick long white tails. As far as I could see from afar they were piebald black, of the same size as a large European wolf and they were certainly not dogs. They were eyeing the springbok. From their tails and general appearance I saw that they were the same animal whose skin I have at Cape Town. I spent more than an hour trying to stalk them but they kept running away, since the Karoo countryside is too bare for stalking, except at the Camdebo River where there are a lot of thorntrees. The Camdebo River comes from the so-called Sneeubergen (called thus by everyone) in three streams down the eastern side of the mountain opposite the Brak River. It then runs east through the Camdebo, which is close to the foot of the mountains and then through the Karoo. The Brak River comes from the western end of these mountains, flows south-east for two hours, then east through the Karoo (or so-called Brakriviervlakte). The Swart River comes from the highest part of the Sneeubergen, behind Reuse Casteel, and flows through the deep basin, forming the Camdebo District on one side and the Swart River District on the other. These three rivers all run east; and flow together two hours from the defile one uses to travel around Reuse Casteel. In addition there is another river, that begins more to the north-east in the Sneeubergen, and is there called the Sundays; and this river is called the Sundays until it reaches the sea.

[page 51]
Found excellent wheat on De Beer's farm, reasonable wine from grapes grown here, and everything in better order than one would expect. They say the rainy season is now beginning here with thunder storms coming from the north and turning in various directions through the mountains. When it rains in June and July in Cape Town, clouds gather on the Sneeubergen, a strong dry wind blows and it snows only on the mountains on which people are living. The snow does not lie long however, remaining for three, four, or five days to a fortnight, even for a month, sometimes to the depth of a few men's height when it is very cold. But in October and November it begins to thunder now and then, with rain. It is at its heaviest in January, February and March. But it sometimes also rains when the north-west wind compresses the clouds and they come back from the south east. Thus on May 15th, it rained here and everywhere I have been and have heard about, very heavily for six to seven days from the northwest.
Route today three hours north-east half an hour north-north-east, two hours north; and west-north-west wind this morning. Cold gusts of rain until noon. Fine weather, a light north wind until six o'clock; thereafter wind north-west and south and east and thunder and lightning with heavy rain.

[page 49: brought forward to here]
Our course today was generally north-north-east, a distance of eight hours. The weather cleared up at about ten o'clock in the morning and the south east wind again blew briskly in the afternoon good, cool weather with scattered clouds in the sky. It began to rain a little about five o'clock in the afternoon with a beautiful rainbow. It was raining heavily in the Sneeubergen, with some thunder.

We are still crossing the same karoo terrain. I have learned to eat a root called aree, which has a woody peel, and is reddish-brown and spongy inside with an astringent, sour juice, but good when very thirsty. Could not see the leaves, which were withered; it grows low among the shrubs. I also dug out a poison bulb called Canie, a large spongy bulb with a reddish brown flower on top without leaves, like a cock's comb. They shoot their game with it, which then becomes drunk and dies. They use it against their enemies too but they have snake and tree poisons as well.
The gnu calves in this month.

Drew a ground squirrel; in Hottentot 'Gradow’.

feet inches
from head (snout) to tail 0 9
the tail 0 8
1 3

Had a black and grey tail, as usual. Three inches wide but could distend it as it ran, swinging it up and down, and cover itself with it like a squirrel. The hair is hard and bristly. Cannot climb trees. Has four claws (fingers) on the forefeet and a very short little thumb but without a nail. It holds things with it to eat but due to its short, blunt thumb must use the other forepaw to hold them. Can bend its tail over its back like a squirrel, but the natural position is flat on the ground behind it. Its ears are just holes and do not stick out. It has five large fingers on the rear paw which has a heel like the dune-mole. Colour red-brown, has a yellowish-white horizontal stripe from the fore to the rear paw on each side. This is a sixth of an inch wide and under it is a dark reddish-brown stripe. Large black eyes on which there is a small white circle. White around and under the snout. Very large testicles. A split upper lip. Two incisors above and two below. The lower one a little longer and slightly apart. This animal becomes very tame. The head flattish. The eyes closer to the earholes than to the snout.