Journals

Fifth Journey (MS 107/4)

4th December 1785


transcription

[4th December 1785]
4 Sondag.

vertrokken den berg westelyk op met myn hottentotten twe slaven van Mulder. gerrit smit en syn soontje maar even tien jaar oud. na een quartier uur rydens te paard gingen steil aan het klimmen en de steilste weg (die wy egter de beste naderhand vonden te zyn) vermydende, raakten wy in krantsen en kloven dewelke ons het opklimmen seer moejelyk maakten, eindelyk na veele moeite kwamen wy na 5 uur klimmens eerst op de eerste vlakte dog op de hoogste top willende observeren moesten ver omgaan over een vlakte en vele krantsen daar wy veel vers zebras, zynde gestreepte esel of wild paard alhier genaamt, spoor en mist vonden dog genen sagen en alleen enige rebokken en een grote trop bavianen.
gerrit smit bleef van vermoeitheid leggen dog syn soontje die selfs al enigen tyd syn swaar geweer gedragen had, hield het uit.

Schoon weer iets optrekkend bewolkt
wind Z W. sagt windtje
boven
term 80 ­ 80 ­ 70

de honing vogel soort van koekoek riep hier sterk cherr, cherr, cherr, dog wy sogten na honing en vonden geene.

[page 12]
de wind Westelyk wordende en de lugt betrekkende, liet ik hen daar en klauwterde over vele krantsen eer ik op de hoogste punt kwam, zynde dit een bedriegelijke berg met verscheide punten, vond de hoogste punt 4400 voet boven de zee en al een soort steen, dog dese berg als allen naby de zee, (so ver geobserveerd heb) lag horisontaalder in syn strata.
de lugt betrok met westelyke wolken die regen aankondigden en veel koude aanbragten. en mijn werk verrigt hebbende trokken wy met langs steile krantsen ten eersten oostelyk af, denkende nog die avond laat beneden te komen, hoorden in het afklimmen een schoot van gerrit smit, die toen boven geklommen was.
Wy hadden maar eens een weinig water gevonden zynde dese berg slegt van water, na mate van syn hoogte en uitgestrektheid, door de steilte en harde rotsen. en klommen langs een moejelyke cloof af, so dat eindelyk met den donker in de krantsen vast klommen. so dat wy nog voor nog agterwaards konden, leden dorst, en het begon na eene ligte weerligt, dog sonder donderslag tamelyk sterk te regenen was onder een lage klip gaan leggen daar enigsins voor de wind bevryd was, dog nat en koud wierd, hield myn volk (so veel konde) uit de slaap, om niet te verkouwen, en verlangden met smerte na den dag, houdende de regen met de westewind die z.o. aanliep, opklarend helder op, die wind word dan altyd koud. eindelyk kwam den dag, en wy bevonden ons op een steile krants, daar wy seker, hadden wy gister avond nog iets verder willen gaan een ongeluk souden gekregen hebben,

[page 12a]
n:b: myn repetitie orlogie moest desen nagt aanhouden. ik vong met een kommetje circa een kelkje regenwater dat my seer verfriste

translation

[4th December 1785]
4 Sunday.

Departed west up the mountain with my Hottentots, two of Mulder’s slaves, Gerrit Smit and his young son who is just ten years old. After riding for a quarter of an hour climbing steeply, but avoiding the steepest way (which we later found to be the best) we found ourselves among cliffs and kloofs which made our ascent very difficult . Finally, with much labour and, after climbing for five hours, we reached the first plateau. But, because I wanted to make my observations from the highest point, we had to go far around and across a plateau with many cliffs, where we saw many fresh zebra tracks and dung (this is thestriped ass or wild horse as they call it here). However, we did not see any, only a few rhebok and a large troop of baboons. Gerrit Smit stayed behind, exhausted, but his little son, who had to carry his heavy gun himself for some time, held his own

Fine weather. Becoming cloudy. Wind south west; Soft breeze.
Thermometer 80-80-70
The honey-bird, a sort of cuckoo, sang chirr, chirr, chirr loudly; but although we looked for honey we found none.

[page 12]
The wind turning westerly and the sky becoming overcast, I left them there and clambered up over many cliffs before I reached the highest point. It is a deceptive mountain wuth several peaks. Found the highest point to be 4400 feet above sea level. It is all the one kind of rock; but in this mountain, like all mountains close to the sea (so far as I have observed) the strata lie more horizantally. The sky became overcast with clouds in the west, indicating rain and making it very cold.
Having completed my work we started off across steep cliffs, first in an easterly direction thinking we could reach the bottom by late evening.
While descending we heard a shot from Gerrit Smit who had climbed up by then. We only found water once and that but little. This mountain has scant water on account of its height and extent, and because of its steepness and hard rock.
We climbed down along a difficult kloof so that eventually we found our way blocked by cliffs in the dark and could go neither forward nor back. We suffered from thirst and after a faint stroke of lightning, but without thunder, it began to rain fairly hard. I laid myself down under a low rock where I was, to some extent, protected from the wind but I still became wet and cold. So far as I could, I kept my people awake in order to keep them from catching cold, and we miserably longed for day. The rain stopped when the west wind turned south-east and it cleared up completely. The wind is always cold when this happens.
Day came at last and we found ourselves on a steep cliff. It is probable that we would have had an accident had we

[page 12a]
NB. I had to keep my repeater watch going this night. With a small bowl I caught about a wineglass of rainwater which refreshed me greatly.